› PO - Nieuwe Regeling fusiecompensatie primair onderwijs

PO - Nieuwe Regeling fusiecompensatie primair onderwijs

Met ingang van het schooljaar 2017-2018 is een nieuwe fusiecompensatieregeling van kracht.

Als twee scholen voor primair onderwijs met elkaar fuseren, ontvangen zij een tijdelijke vergoeding van de Rijksoverheid als compensatie voor bekostiging die zij door de fusie kwijtraken. In de oude regeling was vastgelegd dat een substantieel deel van de leerlingen mee moest gaan naar de fusieschool. Onduidelijk was wat ‘een substantieel deel van de leerlingen’ inhield. Daarnaast kregen de schoolbesturen pas achteraf duidelijkheid of aanspraak kon worden gemaakt op de bijzondere bekostiging.

Volledige compensatie
De voorwaarde van een substantiële leerlingenstroom van de opgeheven school naar de overblijvende school wordt in de nieuwe regeling uitgedrukt in een percentage: bij een fusie-instroom van ten minste 50 procent van groep 1 t/m 7 ontvangt het schoolbestuur zes jaar lang een bijzondere bekostiging van 100 procent compensatie van de teruggang in personele bekostiging. Bij de vaststelling van deze fusie-instroom worden leerlingen die uitstromen naar het voortgezet onderwijs dus niet meegerekend. Deze voorwaarde geldt ook voor de wettelijke extra bekostiging voor ‘samenvoeging van scholen’, zoals beschreven in de Wet op het primair onderwijs (WPO) en de Wet op de expertisecentra (WEC).

Minder dan 50% leerlingen
De nieuwe regeling bevat tevens een faciliteit bij fusie van scholen waarbij minder dan 50 procent, maar ten minste 25 procent, van de leerlingen van groep 1 t/m 7 van de opgeheven school instroomt in de overblijvende school. In dit geval ontvangt het schoolbestuur een bijzondere bekostiging, die in het eerste jaar na de fusie 100 procent compensatie van de teruggang in personele bekostiging bedraagt. In de jaren daarna is de compensatie achtereenvolgens 80, 60, 40 en 20 procent.

Bij fusie van basisscholen waarbij geen sprake is van een volledige leerlingenpopulatie in het jaar voorafgaand aan de fusie, wordt de compensatie gebaseerd op een eerder schooljaar, waarin er nog wel sprake was van een volledige leerlingenpopulatie. Een basisschool met een complete leerlingenpopulatie is in dit geval een school waar ten minste 6 van de 8 leeftijdscohorten 4 tot en met 11 jaar aanwezig zijn. Dat niet wordt uitgegaan van 8, maar van 6 aanwezige leeftijdscohorten, sluit aan bij het tot nu toe gehanteerde beleid dat, in het schooljaar voorafgaand aan de fusie, de leerjaren 1 en 2 van alle betrokken scholen alvast kunnen worden samengevoegd.

Vrijwillige opheffing
De regeling wordt uitgebreid met een faciliteit bij vrijwillige opheffing van basisscholen die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Het bestuur ontvangt dan nog een jaar de leerlingafhankelijke personele en materiële bekostiging. De belangrijkste voorwaarden voor toekenning zijn dat de opgeheven school geen zogenoemde ‘eenpitter’ is en dat de opgeheven school zich niet onder de opheffingsnorm bevindt. Deze faciliteit voor vrijwillige opheffingen is onder dezelfde voorwaarden ook beschikbaar voor de opheffing van basisscholen die onderdeel zijn van een fusie waarbij minder dan 50 procent van de leerlingen uit groep 1 t/m 7 van de opgeheven school zijn ingeschreven op de fusieschool.

De nieuwe regeling kent een aantal verbeteringen. Zo is nu duidelijk wat het begrip substantieel inhoudt, zodat schoolbesturen vooraf kunnen nagaan of en voor welke vergoeding zij in aanmerking komen. De regeling is ook genuanceerder ingevuld, omdat er sprake is van verschillende categorieën waardoor er geen sprake meer is van een ‘alles of niets’-situatie. Ook wanneer minder leerlingen overgaan kan er nog aanspraak worden gemaakt op een vergoeding. Een andere verbetering is dat er ook voor een vrijwillige opheffing van een school een faciliteit wordt geboden.

Terughoudend
Daarnaast is het nog steeds niet mogelijk om vooraf duidelijkheid te krijgen over de vraag of de vergoeding daadwerkelijk wordt ontvangen. Een schoolbestuur kan nu weliswaar nagaan welke vergoeding men mogelijk ontvangt, maar niet óf men die ontvangt. Dat is namelijk afhankelijk van de vraag hoeveel leerlingen zijn overgegaan naar de fusieschool. Dat blijkt immers pas achteraf bij de teldatum 1 oktober.

Het is de vrijheid van ouders om de school te kiezen die zij wensen. Een schoolbestuur heeft daarop nauwelijks invloed. Vooraf is het dus lang niet altijd mogelijk in te schatten hoeveel leerlingen daadwerkelijk meegaan naar de nieuwe fusieschool. Iets anders is nog dat wanneer ouders kiezen voor een andere school, het schoolbestuur nog steeds te maken heeft met doorlopende kosten. De regeling is bedoeld om te stimuleren dat schoolbesturen tijdig inspelen op de ontwikkeling van de leerlingenaantallen. Het feit dat eerst achteraf duidelijk wordt of een vergoeding wordt ontvangen kan leiden tot een (ongewenste) terughoudendheid.

Lees hier de volledige regeling voor fusiecompensatie.

Bron: PO-Raad.